Waarom, vroeg ik me af. Waarom in vredesnaam níét, beantwoordde ik in gedachten mijn eigen vraag. Hij had me krap drie maanden eerder een brief geschreven. Zo’n echte, op papier, in een envelop, door de postbode bezorgd. Ik was verguld met het gebaar, de getoonde moeite én met de inhoud, maar antwoordde per e-mail. Dat leek me beter, duidelijker, voorzichtiger.
Na wat een fijne correspondentie werd, zagen we elkaar op het lanceerfeestje voor mijn boek. Het floepte eruit: ‘Zullen we een keertje koffiedrinken? Signeer ik meteen Moederland voor je.’ Hij mocht eens denken dat ik andere bedoelingen had. Het was aardig, verzoenend, meer niet. Dat zei ik tegen het stemmetje in mijn hoofd. Er volgde een preek.
Niet slim, Milouska. Je hebt het goed, alleen met de tieners. Yara wordt…
