Niemand mist me. Ik lig in het ziekenhuisbed van mijn moeder, naakt, en wacht tot er weer een dag voorbij is. Of een nacht, geen idee. Het is mij om het even. Mijn echtgenoot, eenzaamheid, de doortrapte eindredacteur, onrechtvaardigheid, de Apocalyps, het leven zelf; allemaal woelen ze in mijn hoofd. Luid lallend. Zorgen verdwijnen niet door ze te verdoven met wodka of THC, ze verhuizen alleen naar een andere plek in je gedachten. Die van mij staan vooraan bij de dranghekken en eisen aandacht op.
Mijn toevluchtsoord is een kamer van drie bij twee meter. Het is eigenlijk een berghok waarin net het eenpersoonsbed past, ernaast staat de stoel, bij het voeteneind een ventilator en ertegenover een smalle, hoge kast met planken voor lakens, handdoeken, de kleren van mijn moeder…
