Hij staat een beetje achteraf, uit de spotlight en verscholen achter brutalere collega’s, gekleed in een onbeduidende jas met een onbestemde kleur. Ik weet niet eens of het een jas is of een colbert, in ieder geval een kledingstuk dat ik me onmogelijk zal herinneren, al zou ik er een misdaad mee kunnen helpen oplossen.
Als mijn minuten op de rode loper, voor de flitsende camera’s voorbij zijn, wenkt hij me heel subtiel vanachter het afzetkoord. Ik schrijd op mijn prinsessenhakjes naar hem toe. Wonderlijk genoeg vind ik hem weer sympathiek, net als bij onze eerste ontmoeting, bijna een decennium geleden. Hij heeft één bruin oog en één groen oog, zie ik nu. Ik zeg het hardop.
‘Je meent het,’ lacht hij, maar zijn sarcasme is vriendelijk, speels, plagend. Ik…