In het asiel van Ninove maak ik kennis met een kwiek alert zandkleurig mormeltje, nog kleiner dan een kruimeldief. Het sympathieke bastaardhondje likt mijn kin en ik smelt. Ik mag Bobke meenemen naar Brugge. In de auto herdoop ik Bobke, ik fluister in zijn oor: ‘Vanaf nu ben je Boebka, ik noem je Boebka naar de legendarische duizelingwekkende Oekraïense polsstokspringer.’ In de jaren 80 zag ik Sergej Boebka vaak een aanloop nemen met een grote stok, en wat er daarna gebeurde, weet ik niet, want ik was een kind en snel afgeleid door wespen, wilgen, pedofiele tuinmannen, zwerfkatten met etterende oogjes, kikkerdril, ganzenbordpionnen, exhibitionistische touwslagers, winderige fazantenstropers en de paarse nekwratten van mijn opvliegende aanbeden grootvader.
KAK OP HET TAPIJT
Terug in Brugge maak ik een wandeling met Zohra en…
